Gisteren begon de Hebreeuwse maand Elul, de twaalfde van het Joodse burgerlijke jaar en de zesde kerkelijke maand volgens de Thora. Voor vrome Joden is het een tijd van introspectie en bezinning in de aanloop naar de Hoge Heilige Dagen van Rosj Hasjana en Jom Kippoer.
Ter gelegenheid daarvan gaan religieuze Joden vaak de Tempelberg op, de heiligste plaats van het Jodendom waar hun voorvaderen de opdracht kregen op deze speciale dagen aan de Heer te offeren en hem te aanbidden.
Een groot aantal religieuze Joden is zondag inderdaad de Tempelberg opgegaan, hoewel sommigen het niet ver hebben geschopt. Ze werden snel van de heilige plaats werden verwijderd, omdat zij durfden te doen wat hun voorvaderen deden door de Heer daar te aanbidden.

Tegen de vroege ochtend waren ten minste zes Israëlische Joodse mannen gearresteerd en met geweld van de Tempelberg verwijderd, omdat zij in het openbaar hadden gebeden voor de God van Israël.
Dit fenomeen is niets nieuws nu Israël worstelt om een door moslims opgelegde “status quo” op de Tempelberg te handhaven. Het gebeurt de hele tijd. En toch is het elke keer weer even schokkend om te moeten melden dat Joden zijn gearresteerd omdat zij deden wat God hun opdroeg te doen, op de plaats die Hij hun opdroeg dat te doen.