Gewoon een timmerman uit Nazareth? Jezus wordt voorgesteld

Deel 2 in onze nieuwe serie die je meeneemt door de “Wereld van de Bijbel” om zo de setting en de lessen van de Schrift beter te begrijpen.

Door David Lazarus | | Onderwerpen: Jezus, Wereld van de Bijbel
Foto: Met dank aan www.lumoproject.com

En zij zal een Zoon baren, en u zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.” (Mattheüs 1:21)

De naam Jezus, zoals die in de Evangeliën staat, is de Griekse vorm van een veel voorkomende Hebreeuwse naam Jesjoea, die een verkorte versie is van het oorspronkelijke Jehosjoea (Joshua in de Engelse Bijbel). Dit is één van de vele Bijbelse namen waarin de Goddelijke naam YHWH gecombineerd wordt met een werkwoord om een zegening over te brengen. Het oorspronkelijke Jehosjoea betekent: “de Heer is redding”. Mattheüs past de naam Jesjoea toe met de betekenis: “degene die het volk zal redden van hun zonden”.

De naam Jesjoea komt vaak voor in de Hebreeuwse Bijbel, vooral na de Babylonische Ballingschap in de namen van de families van Priesters (1 Kronieken 24:11), Levieten (Ezra 2:40 en in talrijke andere verzen) en Judeeërs (Ezra 2:6). Jesjoea wordt nog steeds gebruikt in de na-Bijbelse periode, met inbegrip van verschillende hogepriesters uit de laatste dagen van de Tweede Tempel (de tijd van Jezus), evenals tal van prominente rabbijnen die Jesjoea of Yoshua werden genoemd.

Yeshua in het Aramees. (Foto: Creative Commons)

Het Aramees/Hebreeuwse Jesjoea – ישוע – is gevonden op veel ossuaria uit de tijd van Jezus. Deze kleine stenen ossuariumdozen worden meestal gevonden in uitgehakte rotsgraven of grotten in en rond Jeruzalem. Ze waren ontworpen om de botten van de overledene een jaar na de oorspronkelijke begrafenis in te bewaren. Om de eigenaar te identificeren werd zijn naam in het ossuarium geëtst in één of alle van de drie talen die toen in Jeruzalem gangbaar waren (Aramees, Hebreeuws en Grieks).

Er was enige opwinding toen een ossuarium uit de 1e eeuw werd blootgelegd met de inscriptie “Jacobus (Jacob), zoon van Jozef, broer van Jezus”. Hoewel het ossuarium zelf als authentiek voor die periode wordt beschouwd, is de inscriptie door de Israëlische Autoriteit voor Oudheden (IAA) een moderne vervalsing verklaard.

Ossuarium met een inscriptie die luidt: ‘Jacobus, zoon van Jozef, broer van Jezus’. (Foto: Creative Commons)

En toen hij daar gekomen was, ging hij wonen in een stad die Nazareth heette…“(Mattheüs 2:23)

Na de dood van Herodes werd het koninkrijk door keizer Augustus verdeeld onder zijn nakomelingen. Archelaüs, de oudste van Herodes, werd heerser over Judea en Samaria met de titel van etnarch, een politiek leider over een gemeenschappelijke etnische groep. Net als zijn vader was Archelaüs wreed en werd hij uiteindelijk in 6 na Chr. door de Romeinen afgezet na een bewogen bewind van tien jaar. Jozef, de wettige vader van Jezus, begreep dat de familie niet in vrede kon leven onder deze Romeinse heerser. Daarom vestigden zij zich in Galilea onder Herodes Antipas, een andere zoon van Herodes die een sluwe, maar minder gevaarlijke gouverneur was (Lukas 13:32). De plaats die de familie koos om zich te vestigen was het stadje Nazareth, gelegen op de zuidelijke hellingen van Galilea met een wijds uitzicht over de Jizreëlvallei.

Tel Megiddo ligt strategisch boven de Jizreëlvallei. De stad wordt in het Nieuwe Testament genoemd als de plaats van Armageddon. (Foto: Yossi Zamir / Flash90)

Nazareth lag ongeveer zeven mijl ten zuidoosten van Zippori (Sepphoris in het Latijn), de belangrijkste stad van West-Galilea. In de loop van de tijd zijn er in Nazareth een schat aan ontdekkingen gedaan, die ons helpen de wereld te begrijpen waarin Jezus opgroeide, en de invloed die dit had op zijn vroege leven.

Vandaag de dag is Nazareth een overwegend Arabische stad, maar in die tijd was het een Joods dorp dat na de verwoesting van de Tweede Tempel (70 na Chr.) werd bewoond door de priesterlijke familie van Happizez (1 Kronieken 24:15), die Jeruzalem en de binnenvallende Romeinse legers ontvluchtten. De betrekkelijke onbeduidendheid van de stad maakte het een veilige plaats voor Jezus en zijn familie om op te groeien en als timmerman te werken totdat de tijd rijp was voor zijn openbare bediening.

Aan Jezus’ nederige afkomst in dit kleine dorp wordt herinnerd in de uitspraak: “Kan uit Nazareth iets goeds voortkomen?” (Johannes 1:46) Vooral leden van de Judese elite waren niet onder de indruk van Jezus’ Galilese plattelandsafkomst (zie Johannes 7:41-42 en 52). Latere critici van Jezus’ beweging zouden de term “Nazarener” hebben gebruikt om zijn Messiaanse aanspraken te bagatelliseren.

Uitzicht vanaf de berg Precipice, nabij Nazareth in het Noorden van Israël. (Foto: Mendy Hechtman / Flash90)

Er is een kleine Synagogenkerk in het hart van Nazareth die bekend staat onder deze naam vanwege een traditie die beweert dat het de plaats is waar de dorpssynagoge stond in Jezus’ tijd. Boven de deur hangt een bordje in het Arabisch en het Engels: “Synagoge.”

In 570 na Chr. beschreef een Italiaanse pelgrim de synagoge van Nazareth en meldde dat de originele Bijbel er nog lag, inclusief de bank waarop Jezus placht te zitten. Volgens de christelijke traditie is de kerk gebouwd op de ruïnes van de oude synagoge van Nazareth, waar Jezus volgens de Joodse traditie dagelijks studeerde en bad. Bovendien is het de plaats waar Jezus op een sabbat het wekelijkse gedeelte onderwees. In twee Evangeliën (Mattheüs 13:54-58, Markus 6:1-6) worden zijn stadsgenoten boos op hem, omdat hij zo bekend bij hen was, dat zij er niet op vertrouwden dat hij het gezag had om op die manier te prediken of wonderen te verrichten. Jezus was verbaasd over hun gebrek aan geloof en concludeerde dat een profeet niet geëerd wordt in zijn eigen woonplaats.

Is Dit niet de Zoon van de timmerman?” (Mattheüs 13:55)

Later keert Jezus terug naar Nazareth en gaat weer lesgeven in de synagoge, maar nu rijst er een vraag over zijn status in de gemeenschap. Er bestond een tamelijk rigide sociale hiërarchie, waarin handwerkslieden met weinig meer respect werden bejegend dan boeren of zelfs slaven. Veel van het werk dat door vrije werklieden werd gedaan, werd immers ook door geschoolde slaven gedaan.

De minachting die spreekt uit de uitdrukking “Zoon van de timmerman” weerspiegelt de oude samenleving waarin politieke en intellectuele figuren als superieur werden beschouwd aan arbeiders. Een zeldzame uitzondering vormde de Joodse gemeenschap in deze Talmoedische periode, waar de meeste rabbijnen en leiders van de gemeenschap in hun levensonderhoud voorzagen door ambachtelijk werk. Ondanks hun lage aanzien waren timmerlieden uit de oudheid zeer bekwaam, zoals blijkt uit archeologische vondsten van hun werk. Op de afbeelding van een gouden glasstuk uit de 4e eeuw dat in Rome is gevonden, zien we timmerlieden – gekleed in de korte tunieken van hun vak – planken zagen, hout hakken met een bijl, gaten boren, werken met een schaaf, en een wagenas maken en de wielen vastzetten. De centrale figuur stelt waarschijnlijk de meester-timmerman voor in wiens nagedachtenis het glas werd gemaakt.


We hopen uw vragen en opmerkingen te horen over het verhaal over “Gewoon een timmerman uit Nazareth”

Voor een deel van het materiaal in deze serie ben ik dank verschuldigd aan Views of the Biblical World, vol. 5 “The New Testament,” edited by Michael Avi-Yonah Ph.D., 1961

Israel Today nieuwbrief

Dagelijks nieuws

Gratis in uw mailbox

Israel Heute Newsletter

Tägliche Nachrichten

FREI in Ihrer Inbox