De Franse minister van Buitenlandse Zaken Jean-Noël Barrot verklaarde woensdag dat zijn land zal aandringen op nieuwe sancties tegen Israël, waaronder een EU-breed verbod op producten die in Judea en Samaria (‘de Westelijke Jordaanoever’) door Israëli’s worden geproduceerd of op de markt gebracht.
De uitspraken die Barrot deed tijdens de informele bijeenkomst van de EU-ministers van Buitenlandse Zaken in Ierland, werden bekritiseerd door een vooraanstaande vertegenwoordiger van de Franse joodse gemeenschap, maar geprezen door een minister van de Palestijnse Autoriteit.
‘De kolonisten vormen door hun activiteiten en terreurdaden niet alleen een bedreiging voor de tweestatenoplossing en een onaanvaardbare schending van de waardigheid van het Palestijnse volk, maar brengen ook de veiligheid van Israël zelf en de veiligheid van de regio in gevaar’, zei Barrot over de Israëli’s die in Judea en Samaria wonen.
‘We zullen ons inzetten voor nieuwe sancties tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de nederzettingsactiviteiten en het geweld’, zei hij, en voegde eraan toe: ‘De Europese Unie, die bevoegd is op het gebied van handel, mag niet toestaan dat producten uit illegale nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever illegaal het grondgebied van de Europese Unie binnenkomen.’
Barrot vergeleek maatregelen tegen de verkoop van Israëlische producten uit Judea en Samaria met sancties tegen de invoer van goederen uit de door Rusland gecontroleerde delen van Oekraïne.
De twee grootste economieën van de EU, Frankrijk en Duitsland, zijn verdeeld over de pogingen om Israëlische producten uit Judea en Samaria te boycotten. Frankrijk wil het verbod dat dit jaar door Spanje, Nederland, België en Ierland is ingevoerd, uitbreiden. Duitsland daarentegen wijst een verbod af, maar blijft wel de uitbreiding van de Israëlische nederzettingen in Judea en Samaria veroordelen, zoals de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Johann Wadephul in juli verklaarde.
Andere EU-landen met nauwe banden met Israël, zoals Griekenland, Italië, Finland, Litouwen en Slovenië, zouden zich eveneens tegen een voorgesteld verbod kunnen uitspreken.
Ariel Goldmann, de voorzitter van het Jewish United Social Fund (FSJU), een belangrijke Frans-joodse non-profitorganisatie, veroordeelde Barrots ‘obsessie met Israël’, zoals hij het noemde.
Barrot ‘lijkt de situatie in Israël tot zijn absolute prioriteit te hebben gemaakt’, schreef Goldmann op X, in een tijd waarin ‘de oorlog [met Rusland] voor de poorten van Europa staat’. Goldmann zei dat het ‘volkomen legitiem is dat een minister van Buitenlandse Zaken zich bezighoudt met het Midden-Oosten. Maar deze obsessie, de frequentie en vooral de scherpte’ van sommige uitspraken van Barrot over Israël ‘roepen vragen op’.
Goldmann suggereerde bovendien dat het buitenlands beleid van Frankrijk het antisemitismeprobleem in het land beïnvloedt. ‘Als Frankrijk voortdurend de indruk wekt het Israëlisch-Palestijnse conflict door een systematisch bevooroordeelde bril te bekijken, is het misschien niet verrassend dat er in ons land zo’n klimaat ontstaat’, schreef Goldmann.
Philippe Meyer, de voorzitter van B’nai B’rith France, zei dat ‘de schuld bij Israël leggen de tweestatenoplossing niet zal redden’.
In Frankrijk en daarbuiten, voegde Meyer op X toe, ‘is de obsessieve haat tegen Israël uiteindelijk altijd gericht tegen de joden. Diplomatie mag geen bevooroordeeld tribunaal zijn. Ze vereist duidelijkheid, evenwicht en moed.’ Meyer tagde Barrot op X en voegde eraan toe: ‘Zelfs het Quai d’Orsay zou dat moeten kunnen begrijpen.’ De Quai d’Orsay is de zetel van het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken.
Varsen Aghabekian Shahin, minister van Buitenlandse Zaken en Emigranten van de Palestijnse Autoriteit, verwelkomde juist de uitspraken van Barrot.
‘Wij verwelkomen deze principiële woorden van de EU. Het Palestijnse volk verdient niet alleen solidariteit, maar ook concrete maatregelen om een einde te maken aan de bezetting, ons volk te beschermen en extremistische kolonisten ter verantwoording te roepen’, schreef zij, en voegde eraan toe dat dit zal bijdragen aan het bereiken van ‘een rechtvaardige en duurzame oplossing’ van het conflict.
(JNS)